zerp

Betekenis: wrang; zuur; scherp; ruw.

boezeroen

Betekenis: herdersjas; kiel; visserskiel; overhemd; werkhemd.

Varianten: bazeroen; bazeloen; barzeloen; basseloen; bazeroel; boezeloen; bozzeloen; bosseloen; boezelaan; boezeroes; moezeroen; bloezeroen; blazeroen.

kamizool

Betekenis: vest; borstrok;

Varianten: kammezaol; kammezol; kamisool; kamezulke; kamezielke.

wambuis

Betekenis: een hemd dat onder het pantser werd gedragen; buis (kledingstuk).

Varianten: wambaes; wambeis; wambois; wambuus; wammes; wambōs; wambūs; wambes; wams; wambīs; wambas; wambais.

kabelaring

Betekenis: relatief kort stuk dikke kabel dat in de scheepvaart gebruikt wordt om andere trossen zoals een ankertros of zware sleeptros binnen te halen.

Tegenwoordig is de term echter vooral in gebruik voor de stootrand van dik gedraaid touw dat vaak wordt aangebracht net onder het gangboord van sloepen, vletten en motorboten als decoratieve bescherming tegen schade bij het afmeren.

knapzak

Betekenis: een zak met eten voor op reis.

Het woord is afkomstig van het oud-Nederlandse woord voor eten: «knappen».

roezen

Betekenis: ongeteld kopen; roezemoezen; rommelen en stommelen; rumoer maken; tekeergaan.

mitsgaders

Betekenis: daarbij nog; bovendien.
Varianten: metgaders; metgader.

snorken

Betekenis: snurken; zich onder het maken van een suizend of gonzend geluid snel voortbewegen, inzonderheid door de lucht.
Varianten: snorcken; snorken; snarchen, snerken; snarken.