triefelen

Betekenis: beuzelen; peuteren; bedrieglijk handelen; oneerlijk zijn; stoeien; dartelen; handtastelijk worden of zijn; zich met onbelangrijke of onnozele dingen bezighouden; zijn tijd verdoen; klungelen; prutsen; onbelangrijke of onzinnige dingen vertellen; bazelen; zwammen; peuterig bezig zijn; friemelen; om geld spelen; kruis of munt spelen als kinderspel; ongeoorloofd ruilen; verkwanselen.
Varianten: trijfelen; triffelen; trievelen; truffelen.