zerp

Betekenis: wrang; zuur; scherp; ruw.

boksharing

Betekenis: bokking; koud gerookte haring.

Varianten: bekkem; boeksharing; boestering; boestring; bokkem; bökkem; bokkom; bokshoren; brado; brander; buckinc; buckem; bucken; buckink; bukkem; bukkum; harde bokkes; kipper; spekbokking; strobokking.

koud
gerookt
warm
gerookt
met
kop
zonder
kop
bokking🐟🐟
brado🐟🐟
brander🐟🐟
kipper🐟🐟
spekbokking🐟🐟
strobokking🐟🐟
Het verschil zit’m in de grote details…

De Engelse kipper is juist een koud in plaats van warm gerookte haring. (Links en rechts is ook een dingetje in Engeland.)

Het woord bokking is afgeleid van de dierennaam bok vanwege de onaangename geur. De uitgang -ing wordt vaak bij visnamen gebruikt, denk aan haring, paling, spiering en wijting.

boezeroen

Betekenis: herdersjas; kiel; visserskiel; overhemd; werkhemd.

Varianten: bazeroen; bazeloen; barzeloen; basseloen; bazeroel; boezeloen; bozzeloen; bosseloen; boezelaan; boezeroes; moezeroen; bloezeroen; blazeroen.

kamizool

Betekenis: vest; borstrok;

Varianten: kammezaol; kammezol; kamisool; kamezulke; kamezielke.

wambuis

Betekenis: een hemd dat onder het pantser werd gedragen; buis (kledingstuk).

Varianten: wambaes; wambeis; wambois; wambuus; wammes; wambōs; wambūs; wambes; wams; wambīs; wambas; wambais.

borstrok

Betekenis: warm, wollen onderkledingstuk gedragen tussen hemd en bovenkleding.

Variant: hemdrok.

kabelaring

Betekenis: relatief kort stuk dikke kabel dat in de scheepvaart gebruikt wordt om andere trossen zoals een ankertros of zware sleeptros binnen te halen.

Tegenwoordig is de term echter vooral in gebruik voor de stootrand van dik gedraaid touw dat vaak wordt aangebracht net onder het gangboord van sloepen, vletten en motorboten als decoratieve bescherming tegen schade bij het afmeren.

knapzak

Betekenis: een zak met eten voor op reis.

Het woord is afkomstig van het oud-Nederlandse woord voor eten: «knappen».

roezen

Betekenis: ongeteld kopen; roezemoezen; rommelen en stommelen; rumoer maken; tekeergaan.