krotenkoker

Betekenis: ongewoon mens, zonderling.

Het woord krotenkoker is in de jaren ’60 als scheldwoord bekend geworden door de Bommelsaga van Marten Toonder en is vervolgens dankzij Jules Deelder in het dagelijkse spraakgebruik terecht gekomen.

2 gedachten aan “krotenkoker”

  1. Het woord ā€˜krotenkokerā€™ is al in 1908 gesignaleerd, dus Marten Toonder heeft het niet zelf verzonnen. Het is dus gewoon een Rotterdams scheldwoord.
    Het was een Rotterdams beroep, maar Marten Toonder gebruikte het in zijn boek ā€œDe grauwe razerā€ en toen werd het heel populair, mede ook door de op z’n plat Rotterdams uitgesproken versie van Jules Deelder.
    Krotenkoker was lange tijd een beroep dat voornamelijk in Rotterdam werd uitgeoefend, waarschijnlijk omdat men de geur van het krotenkoken (een wat grondige, weeĆÆge geur) niet erg lekker vond in de toen vrij kleine huisjes.
    Dus had je (naast de waterkoker) ook de krotenkoker. Een betrekkelijk eenvoudig klusje (bieten in pan, water erbij, koken, afgieten klaar) dus je hoefde geen al te intellectueel onderlegd type te zijn om krotenkoker te worden, vanwaar wellicht: krotenkoker = domoor, sufferd, idioot.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Ga naar de inhoud