hovaardig

Betekenis: arrogant; hoogmoedig; trots.

Hovaardig is afgeleid van het middeleeuws Nederlandse woord hovaert of hovaerde, dat «trots» of «overmoed» betekent. Het eerste deel van het woord is ho en dat komt van hoog – de g is in de uitspraak verdwenen. Vaert of vaerde is de voorloper van vaart in de betekenis «het (voort)gaan, tocht». Waar we bij vaart nu al snel aan schepen denken, kon het aanvankelijk ook verwijzen naar het rijden op een paard of met een wagen. Iemand die «ho(og) vaert», oftewel «hoog te paard zit», verhief zich boven anderen. Zo kreeg hovaardig de betekenis «verwaand, arrogant». «Over het paard getild» dus eigenlijk.

verdonkeremanen

Betekenis: achterhouden; achteroverdrukken; afnemen van bezit; gappen; inpikken; jatten; kapen; nakken; ontfutselen; ontnemen; ontvreemden; pikken; snaaien; stelen; stiekem wegnemen; toe-eigenen; verdoezelen; verdonkeren; vervreemden; wegfrommelen; wegfutselen; wegkapen.

slabakken

Betekenis: verslappen; treuzelen; kwijnen; traag werken; verminderen.

Variant: slabbakken.

postiljon

Betekenis: postrijder.

liederlijk

Betekenis: losbandig, lichtzinnig, zedeloos, ontuchtig. Verwant aan lodder.

Jan Steen – Het dronken paar, 1655

verlakken

Betekenis: bedriegen.

boel

Betekenis: bijzit; naverwant; geliefde; minnaar; minnares.

kween

Betekenis: genetisch vrouwelijk hoefdier waarbij in meer of mindere mate geslachtskenmerken van mannelijke dieren aanwezig zijn; oude, truttige vrouw; onvruchtbare koe.

Variant: kwee.

boksharing

Betekenis: bokking; koud gerookte haring.

Varianten: bekkem; boeksharing; boestering; boestring; bokkem; bökkem; bokkom; bokshoren; brado; brander; buckinc; buckem; bucken; buckink; bukkem; bukkum; harde bokkes; kipper; spekbokking; strobokking.

koud
gerookt
warm
gerookt
met
kop
zonder
kop
bokking🐟🐟
brado🐟🐟
brander🐟🐟
kipper🐟🐟
spekbokking🐟🐟
strobokking🐟🐟
Het verschil zit’m in de grote details…

De Engelse kipper is juist een koud in plaats van warm gerookte haring. (Links en rechts is ook een dingetje in Engeland.)

Het woord bokking is afgeleid van de dierennaam bok vanwege de onaangename geur. De uitgang -ing wordt vaak bij visnamen gebruikt, denk aan haring, paling, spiering en wijting.

boezeroen

Betekenis: herdersjas; kiel; visserskiel; overhemd; werkhemd.

Varianten: bazeroen; bazeloen; barzeloen; basseloen; bazeroel; boezeloen; bozzeloen; bosseloen; boezelaan; boezeroes; moezeroen; bloezeroen; blazeroen.